De geschiedenis van de fotografie

Voor de uitvinding van de fotografie, lieten alleen rijke mensen een portret van zichzelf maken door een schilder of beeldhouwer. In 1850 kwam de fotografie in opmars en langzaam verving de fotografie de schilderkunst steeds meer.


Camera Obscura

De Camera Obscura

De uitvinders

In de renaissance, de 16e eeuw, werd de Camera Obscura een handig hulpmiddel voor schilders om details en het perspectief nauwkeurig mee vast te leggen. De Camera Obscura was een lichtdichte doos met een klein gaatje of een lens aan de voorkant en een stuk matglas aan de achterzijde. Door licht door het kleine gaatje te laten vallen konden beelden van voorwerpen en landschappen op een wand van een donkere kamer worden geprojecteerd.

Een openbare demonstratie van de Camera Obscura van della Porta zorgde voor een rampzalige reactie van zijn publiek: hij werd vervolgd wegens tovenarij.

In het begin van de 19e eeuw was de Fransman Joseph Nicéphore Niépce op zoek naar een manier om met lichtgevoelig bitumen de lithografie (steendruk), die al eerder door Aloys Senefelder was uitgevonden, te verbeteren en legde daarmee in 1822 de basis voor de heliografie (lichtdruk), fotografie op metalen platen. Niépce stopte de helografische plaat in een Camera Obscura en slaagde erin om daarmee de allereerste opname met een fototoestel te maken, die hij op 24 juli 1826 vanuit zijn slaapkamer in Graz nam.

Door de lange belichtingstijd van wel 8 uur en de glanzende metalen plaat waar hij het beeld op vastlegde, is de foto wazig, maar desondanks toch een belangrijke mijlpaal in de ontwikkeling van de fotografie. Later werkte Niépce met platen met een glaslaag in plaats van metalen platen, die veel duidelijkere foto's opleverden.

De eerste foto

'Daken, Graz' 1826: de eerst genomen foto van Niépce


Daguerre is één van de 72 Fransen wier namen op de Eiffeltoren gegrift staan.

In 1829 tekende Niépce een 10-jarig contract met Louis-Jacques-Mandé Daguerre om het procédé van de fotografie gezamenlijk te ontwikkelen. Niépce overleed echter in 1933 en Daguerre streek met de eer. Hij ontdekte in 1837 het 'Daguerreotypie procédé' waarbij afbeeldingen op zilverplaten konden worden vastgelegd en de belichtingstijd slechts nog een half uur duurde. Na belichting werden de zilverplaten ontwikkeld en er ontstonden direct positieve beelden. Deze beelden waren zeer gedetailleerd. Een nadeel aan zijn procédé was dat er maar één exemplaar per opname kon worden gemaakt. Daguerreotypieën waren net als schilderijen en tekeningen uniek. Op 19 augustus 1839 werd de Daguerreotypie bekend gemaakt in Frankrijk. Men ziet deze dag als de geboortedag van de fotografie.

Daguerreotypie

Een van de eerste Daguerreotypieën, gemaakt door Louis-Jacques-Mandé Daguerre zelf in 1839. De straat ziet er verlaten uit, wat komt doordat de belichtingstijd te lang duurde om de bewegende mensen vast te leggen. Echter links onderaan zie je wel twee figuren die zijn vastgelegd. Dit komt doordat de man zijn schoenen laat poetsen en beide figuren dus niet van positie veranderden tijdens de belichtingstijd.

De Engelsman William Henry Fox Talbot geldt als de uitvinder van het negatief/positief procédé in de fotografie en maakte daarmee het afdrukken van meerdere positieven van een negatief van een afbeelding mogelijk. Tot dan was elke foto een uniek exemplaar geweest. In dezelfde periode als de Fransen, ontdekte hij een procédé waarmee je met een Camera Obscura afbeeldingen kon vastleggen op papier dat lichtgevoelig was gemaakt met een laagje zilverchloride. Deze procédé noemde hij het Calotypie en was de eerste vorm van de fotografie zoals wij die nu kennen.

In 1844 publiceerde Fox Talbot het eerste boek over fotografische beelden: 'The pencil of nature'.

Lacock Abbey

'Tralievenster, Lacock Abbey' ­ een van de eerste Calotypieën van Fox Talbot. Zijn eerste afbeeldingen noemde hij 'photogenic drawings'.

De Daguerreotypieën ontstonden als direct-positief drukken en waren daardoor relatief scherper dan de Calotypieën, die over het algemeen wat waziger waren. Dit verschil leidde tot een scheuring tussen het documentair en artistiek gebruik van de fotografie. De groep die het nieuwe medium fotografie documentair wilde gebruiken verlangde namelijk nauwkeurigheid en scherpte en zagen dus meer in het gebruik van de Daguerreotypieën, terwijl de anderen juist meer zagen in het gebruik van de artistieke producties van de Calotypieën.

Na de Daguerreotypie en de Calotypie volgden vele andere uitvinders met verschillende procédés die volgens dezelfde principes werkten. Deze waren echter vergelijkbaar met de voorgaande typieën.


De technische ontwikkeling

Tot ongeveer 1840 hadden de meeste camera's een enkelvoudige lens, zoals die van een vergrootglas. Deze gaf in het midden van de foto een scherp beeld, maar naar de randen toe werd dit waziger en onscherp. In 1840 werd de vlakke lens ontwikkeld die een volledig scherp beeld garandeerde. Dit was een belangrijke doorbraak om volledig scherpe beelden vast te kunnen leggen, zoals wij die nu kennen van foto's.

In 1851 ontwikkelde de Engelsman Frederic Scott Archer het 'natte plaat procédé', waarbij glasplaten gevoelig werden gemaakt met collodium, een mengsel van schietkatoen en ether. Terwijl de glasplaat nog nat was, werd deze in de camera belicht. Dit moest snel gebeuren omdat de plaat bij het drogen zijn lichtgevoeligheid zou verliezen. Na de belichting werd de plaat direct ontwikkeld.
Met deze natte collodiumplaten konden uitstekende foto's worden gemaakt, maar er zaten ook een paar nadelen aan vast. Er was bijvoorbeeld een draagbare donkere kamer voor nodig om het direct ontwikkelen van de foto's mogelijk te kunnen maken en er was net als bij de Daguerreotypie maar een enkele afdruk mogelijk. Een voordeel waren de korte belichtingstijden van enkele seconden die de natte platen nodig hadden om er een afbeelding op vast te leggen.

In 1856 kwamen er de droge platen. Het voordeel aan de droge platen was dat de fotograaf deze later in een donkere kamer kon ontwikkelen. Maar het nieuwe procédé had ook zijn nadelen. De platen hadden namelijk een langere belichtingstijd nodig in vergelijking met de natte platen.

De jaren na de eerst uitgebrachte collodium platen volgende er vele soortgelijke procédés.

35mm film

35mm film

In 1905 had Oskar Barnack het idee om kleinere negatieven te gebruiken in camera's en deze pas te vergroten na de opnamen. Tot dan toe waren de negatieven even groot geweest als de camera's zelf en waren daarom vaak erg groot en zwaar. Tien jaar later bracht Oskar Barnack dan ook de eerste camera met een 35 mm film, een kleine negatieffilmrol die na de opnamen vergoot kon worden, op de markt onder de naam Leica, de 'Oer-Leica'. Men beseften toen alleen nog niet de mogelijkheden van de Leica camera en ze werden weinig verkocht. De camera's werden pas eind jaren 30 populair, toen de 35 mm rolfilm, ook wel kleinbeeldfilm genoemd, zodanig verbeterd was dat er uitstekende vergrotingen mogelijk waren.

Andere bedrijven die camera's produceerden volgden het bedrijf Leica en brachten ook een 35 mm rolfilm op de markt. Zo ook het bedrijf Kodak, die in 1936 hun eerste 35 mm rolfilm met 8 opnames introduceerden en daarmee het filmformaat standaardiseerden.

In 1861 kwam er een innovatie op het gebied van camera's, de tweeogige spiegelreflexcamera. Thomas Sutton had een principe bedacht, waarbij het mogelijk werd om in de zoeker een beeld te krijgen dat gelijk was aan de uiteindelijke opname. Hierbij werd gebruik gemaakt van een prisma, een spiegel en een zoeker en lens die boven elkaar zaten bevestigd. Maar doordat de positie van de twee lenzen net niet aan elkaar gelijk waren, waren de beelden ook niet 100 procent aan elkaar gelijk. Daarom werd de éénogige spiegelreflexcamera ontworpen. Deze camera zorgde ervoor dat het beeld door de zoeker en de uiteindelijke opname vrijwel 100 procent aan elkaar gelijk werden. Naast het exact bepalen van de compositie van de foto, kan met een spiegelreflexcamera de scherpte nauwkeurig worden ingesteld, net als bij de ouderwetse platencamera.

Het pentaprisma, wat in een spiegelreflexcamera zit verwerkt, is voor het eerst toegepast door Asahi, nu bekend als Pentax. De naam 'Pentax' is grappig genoeg afgeleid van het pentaprisma.

De eerste éénogige spiegelreflexcamera met een 35 mm film, kleinbeeld-spiegelreflexcamera , was de Kine-Exakta, die in 1936 op de markt werd gebracht. Deze werd vernieuwd en verbeterd en verscheen in 1950 onder de naam 'Exakta Varex' op de markt. Na het merk Exakta brachten andere bedrijven soortgelijke spieglreflexcamera's uit, waaronder het bedrijf Pentax, die in de jaren 50 en 60 van de 20e eeuw veel innovaties in de kleinbeeld-spiegelreflexcamera introduceerden. De spiegelreflexcamera is tegenwoordig de meest gebruikte camera.

In 1927 vond Paul Vierkötter de eerste flitslamp uit, waarbij hij gebruik maakte van een gloeidraad die in enkele milliseconden een fijne metaaldraad met een felle flits opbrandde. Dit maakte het mogelijk om ook met slechte belichting omstandigheden foto's te kunnen maken. Voor die tijd werd er gebruik gemaakt van magnesiumpoeder dat werd ontstoken met een lontje. Een nadeel aan de flitslamp van Paul Vierkötter was dat deze maar een enkele keer te gebruiken was. Pas in de jaren 80 van de 20e eeuw werd de flitslamp vervangen voor een elektronenflitser, waarbij de flits wordt opgewekt door spanning.

Edwin Herbert Land kwam in 1947 met zijn 'Land-camera', beter bekend als een Polaroid-camera. De film die hij in zijn camera gebruikte had, in tegenstelling tot de eerdere procédés, de eigenschap om zichzelf te ontwikkelen. Edwin Land vond de camera uit nadat zijn driejarige dochter hem vroeg waarom een foto die hij van haar nam niet meteen te bekijken was. De eerste Land-camera's maakten sepiakleurige opnamen. In 1950 kwamen de zwart-wit opnamen en vanaf 1963 waren Polaroid foto's in kleur ook mogelijk. Een tijd lang zijn de camera's erg populair geweest, maar door de ontwikkeling van de digitale fotografie vanaf de jaren 80 raakte de Polaroid in onbruik.

Kleurenfotografie

Foto's waren altijd zwart-wit geweest, maar men verlangde naar foto's waarop de kleuren realistisch waren. Verschillende mensen gingen opzoek naar het procédé om kleurenfotografie mogelijk te maken. Pas in 1935 werd de kleurenfotografie toegankelijk voor iedereen.

De Schot James Clerk ontwikkelde in 1861 een systeem met filters in de drie primaire kleuren wat leidde tot de eerste kleurenfoto projecties. Hij had ontdekt dat je met deze drie kleuren alle andere kleuren ook kon weergeven door de filters over elkaar heen te projecteren. Dit systeem was alleen niet erg praktisch: de foto was slechts een tijdelijke projectie.

De Duitser Hermann Wilhelm Vogel ontdekte in 1873 een verfstof waarmee fotografische collodiumplaten gevoelig werden voor de kleuren groen en oranje. Na zijn dood in 1898 ontdekten men ook een verfstof waarmee de platen gevoelig werden voor de kleur rood. Deze kleurenplaten werden in 1906 op de markt gebracht.

Madame Auguste Lumiere

Een autochrome foto van madame Auguste Lumiére, gemaakt door Auguste Lumiére.

In 1907 brachten de gebroeders Louis en Auguste Lumiére hun autochroom procédé op de markt. Dit autochroom procédé bestond uit een systeem met drie lagen zetmeelkorrels, gekleurd met rode, groene en blauwe kleurstof, die werd aangebracht op een zwart/witte glasplaat. Tot 1955 was dit de enige techniek voor kleurenfotografie voor amateur-fotografen.

In 1935 produceerde Kodak de Kodachrome kleurenfilm die kleurenfotografie toegankelijk maakte voor iedereen. Dit is de oudste in massa geproduceerde kleurenfilm. Deze filmrol gaf scherpe foto's met een natuurlijke kleurenweergave die lang houdbaar waren. De Kodachrome filmrollen wordt tegenwoordig nog steeds gebruikt. In 1941 bracht Kodak ook de eerste kleuren negatieffilm op de markt, de KODACOLOR film.

Verschillende merken

Hoe meer de fotografie zich ontwikkelde, hoe meer mensen er zich in gingen verdiepen. Langzaam begon men verschillende bedrijven op te zetten, die ieder onder een eigen naam een camera op de markt bracht. Er ontstonden camera merken, zoals onder meer Kodak, Pentax, Leica, Canon, Nikon en Olympus. De concurrentie tussen dezen groeide naarmate de vraag van de camera's groter werd onder het publiek. Elk van deze camera merken hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de camera. Vandaag de dag worden de camera's van Canon en Nikon gezien als de beste kleinbeeld spiegelreflexcamera's. Sommige fabrikanten houden zich niet bezig met kleinbeeld, maar hebben de platencamera geperfectioneerd. Een voorbeeld hiervan is het merk Hasselblad. Deze camera's worden technische camera's genoemd en werken nog volgens het principe van een Camera Obscura.

Het eerste bedrijf dat camera's ging produceren was het bedrijf Kodak. Dit bedrijf heeft in de geschiedenis van de fotografie veel invloed gehad en is nog steeds een algemeen bekend merk.

De Engelsman George Eastman vond in 1880 een machine uit om droge platen te produceren, waarna hij het bedrijf 'Eastman dry plate company'. Hij besefte echter dat het ingewikkelde ontwikkelen en afdrukken van de platen een fotograaf veel werk bezorgde en bedacht daarom een camera met een negatieve rolfilm erin, die na belichting aan het bedrijf werd geretourneerd om deze te ontwikkelen en af te drukken. Deze rolfilm was de eerste rolfilm zoals wij die vandaag de dag nog kennen en in 1888 bracht George Eastman deze onder de naam Kodak als eerst op de markt in een camera, de 'Kodak Camera'. Er ontbrak echter nog een zoeker op de eenvoudige camera, waardoor er vaak hoofden werden afgesneden van de foto's.

Eerste Kodak Brownie

De eerste Kodak Brownie camera.

Kodak bracht daarom een nieuwere camera op de markt, genaamd de 'Kodak Brownie', die wel een zoeker bevatte. In eerste instantie kostten de camera's 25 dollar, een bedrag dat alleen welgestelden konden betalen, maar de verkoopprijs werd aangepast. Een grote groep mensen kon de camera nu betalen, waardoor de fotografie toegankelijk werd voor iedereen. Ook zorgde Kodak Brownie voor het ontstaan van de journalistieke fotografie. Men kon een camera nu gemakkelijker meenemen dan voorheen, waardoor men makkelijker foto's kon maken van gebeurtenissen.


In veel landen wordt een camera tegenwoordig nog steeds een 'Kodak' genoemd.

Na het op de markt brengen van de Kodak Brownie, produceerde het merk tot op de dag van vandaag nog vele andere camera's.

5. De camera zoals wij hem nu kennen

Tot 1981 was er sprake van fotografie met een camera waar een 35 mm rolfilm inging, tegenwoordig ook wel bekend als de analoge camera. In september 1981 kwam daarbij een andere vorm van fotografie: de digitale fotografie. Hierbij is er geen sprake meer van een lichtgevoelige film waarop de afbeelding wordt vastgelegd. De camera maakt elektronische opnamen met behulp van een lichtgevoelige elektronische sensorchip. De afbeeldingen worden opgeslagen in op een geheugenkaart in de camera, waarna deze op de computer kunnen worden opgeslagen en kunnen worden nabewerkt.Een voordeel van de digitale fotografie is de mogelijkheid om het resultaat onmiddellijk te kunnen controleren. Wanneer opnames mislukt zijn kan deze direct verwijderd worden zonder dat er hoge kosten aan vast zitten.

Voor de kwaliteit van een opname is de gebruikte resolutie belangrijk. De resolutie van een camera wordt uitgedrukt in pixels. Hoe meer pixels, hoe scherper het beeld. Ook de lens van een camera is belangrijk. Een camera met veel megapixels maar een slechte lens maakt geen kwaliteitsopnames.

Het woord 'kiekje' is vernoemd naar de fotograaf Kobus Kiek.

In 1974 ontwikkelde het bedrijf Kodak het eerste kleurenfilter voor digitale beelden, de 'Bayer Pattern' Deze is opgebouwd uit een blauw, een rood en twee groene elementen en was het systeem waar alle bedrijven op voort borduurden bij het produceren van digitale camera's. Tegenwoordig worden deze kleurenfilters nog steeds gebruikt in de meeste digitale camera's.

In 1981 bracht het bedrijf Sony de eerste digitale camera op de markt: de Mavica. Deze waren echter erg duur en dus niet iedereen kon zich er een permitteren. Andere bedrijven volgden het idee van Sony op, en vlak na de Mavica kwamen er andere digitale camera's op de markt afkomstig van verschillende bedrijven. Omdat digitale techniek nu steeds meer een rol ging spelen in de fotografie, kwam het bedrijf Adobe in 1990 met een programma voor op de computer, genaamd Photoshop, om foto's gemakkelijk te bewerken. Nu nog is dit hét computerprogramma dat men gebruikt voor nabewerking van foto's.

In 1995 verschenen de eerste goedkopere digitale camera's op de markt, waardoor digitale fotografie toegankelijk werd voor iedereen. Naar mate de vraag naar digitale fotografie groter werd onder het grote publiek, ontwikkelde bedrijven steeds meer nieuwe technieken om deze te verbeteren. Zo komen er steeds nieuwe camera's op de markt met een hogere pixelresolutie en meer technische mogelijkheden, waardoor foto's scherper worden en meer details kunnen vastleggen.

Ondertussen is digitale fotografie uitgegroeid tot de belangrijkste vorm van fotografie. In 2004 was 90 procent van de in Nederland verkochte camera's digitaal.